Mijn oneindige verantwoordelijkheid ontstaat in het gelaat van de 'Ander'

door B.·. Frank D.

Aqua, autonome Loge aan de stroom

O.·. Antwerpen

Lithos CL

 

Emmanuel Levinas (1906-1995) werd geboren in Litouwen, studeerde filosofie in Straatsburg en is in 1931 tot Fransman genaturaliseerd. Hij is filosoof en Talmoedgeleerde die ethiek niet ziet als een onderdeel van de wijsbegeerte, maar als het fundament van alle andere wijsgerige disciplines beschouwt. Hij beklemtoont de primaire verantwoordelijkheid voor de Ander als basis, in tegenstelling tot de andere filosofieën die redeneren vanuit het ik, vanuit het eigen wereldbeeld (egologie): waarbij ik mijn absolute waarde aan de ander opdring (met mogelijk extreme uitwassen als gevolg, zoals geweld in naam van de godsdienst).

 

Zo ook heeft Ayn Rands filosofie van compromisloos egoïsme de afgelopen decennia de wind in de zeilen gehad en wordt nu zelfs uitgegeven in het Nederlands. Maar sinds een paar jaar oogsten we de bittere vruchten van wat in haar boeken als Bijbel van het neo- liberalisme wordt verkondigd. 'Ik zweer dat ik nooit zal leven voor een ander mens, noch een ander mens zal vragen voor mij te leven',

laat Rand één van haar hoofdpersonen verklaren. Terwijl almaar meer bedrijfsleiders en bestuurders die woorden wel héél letterlijk genomen lijken te hebben en de wereldorde wankelt onder de excessen van het casino- kapitalisme, lijkt het onbegrijpelijk dat Rands theorie van het ‘objectivisme’ zich nog verder verspreidt.

 

Er is moeilijk een denker te vinden wiens overtuigingen zo haaks staan op die van Rand als Emmanuel Levinas. Andere mensen zijn volgens Levinas immers geen obstakels voor mijn vrijheid, zoals Ayn Rand denkt. Ze zijn zelfs niet mijn gelijken met wie ik moet leren omgaan. Ze zijn niets minder dan de voorwaarden voor mijn bestaan. Nog voordat ik helemaal 'ik' kan zijn, doet de ander al een appèl op mij:‘Kijk mij aan, dood mij niet.’ Zijn gelaat doet mij beseffen wat mij te doen staat. Nog voordat ik ben, is er mijn plicht jegens hem.

 

Daarmee zette Levinas de hele filosofie op haar kop. Eeuwenlang had ze het als haar eerste opdracht beschouwd erachter te komen hoe de wereld in elkaar steekt. Hoe mensen zich hadden te gedragen werd daaruit afgeleid. Maar dan ga je er wel vanuit dat de wereld een verzameling objecten is, beschreven in de afstandelijke vorm van de derde persoon, aldus Levinas. Ook mensen zijn dan in eerste instantie ‘dingen’ die ik tegenkom. Geen wonder dat de filosofie vervolgens de grootste moeite heeft om zo'n relatie nog tot iets menselijks om te buigen.

 

‘Mijn oneindige verantwoordelijkheid ontspringt in de absolute waarde van het gelaat van de ander.’ Dit betekent niet dat de ander ook verantwoordelijk is tegenover mij, het is geen symmetrische relatie, het is mijn verantwoordelijkheid: ik kan niet kiezen, het is tegelijk uitnodiging en gebod (de negatieve gedaante van dit appèl zit in zijn meeste extreme vorm in het gebod ‘dood mij niet’), een morele grens, ik mag de ander niet van zijn andersheid beroven.

 

Dit gelaat nodigt mij uit tot verantwoordelijkheid in een ‘taal voorafgaand aan het spreken’. De taal van erkenning van de ander ‘spreekt’ door een aanraking of louter de aanwezigheid van de ander.

 

Uit die asymmetrische relatie ontstaat een ethisch appèl. De ethiek ontspruit dus vanuit mijn zorg voor de medemens. Levinas schetst het probleem van de vrijheid en verantwoordelijkheid in 3 stappen:

 

  1. een vrije samenleving is een samenleving waarin mensen vrij kunnen handelen;
  2. handelen is inwerken op een wil, het beïnvloeden van de ander;
  3. vrijheid is (negatief geformuleerd) zich niet laten inwerken op de wil, kunnen kiezen om het eigen handelen niet te laten beïnvloeden.

 

Vrijheid is daarmee even broos als gevaarlijk. Zodra er vrijheid is voor mij, is ze er niet meer voor de ander. Levinas geeft 3 mogelijke antwoorden:

 

  1. het collectivisme: een op Plato gebaseerde ideale orde, en net daardoor het risico op een tirannieke bedreiging van de vrijheid;
  2. het individualisme: om te vermijden dat conflicten leiden tot oorlog van allen tegen allen is een sociaal contract nodig;
  3. de verantwoordelijkheid : mijn natuurlijke vrijheid verandert in een morele vrijheid doordat ik door de ander tot verantwoordelijkheid wordt uitgenodigd.

 

Het is daarom een moeilijke vrijheid, ‘une difficile liberté’. Duidelijk is het dat Levinas enkel de laatste mogelijkheid aanvaardbaar acht. In het gelaat van de Ander herkent de mens diens heiligheid: tegenover de ander heb ik alleen plichten. Het probleem is: hoe kunnen mijn plichten beperkt worden zodat er ook ruimte is voor mijn rechten?

 

‘Authentiek humanisme’ is materialistisch humanisme. De harten openen zich zeer gemakkelijk voor de arbeider, de portemonnee moeilijker. En de deur van ons huis het allermoeilijkst. Moraal is geven wat je hebt, ruimte geven voor de ander.

 

Van de ander naar de derde (elk ander heeft weer een naaste…): mijn verantwoordelijkheid voor de éne ander wordt beperkt doordat ik mijn aandacht over verschillende anderen moet verdelen. Ook de ‘anderen van de ander’, de derden, beperken die verantwoordelijkheid. Van daaruit ontstaat Levinas’ filosofie van de grotere samenleving. Niet individu versus staat vormt het koppel dat het perspectief op de samenleving opent, maar ik-en-de-ander versus de derde. De primaire asymmetrische oneindige verantwoordelijkheid van mij voor de ander geeft de symmetrische, eindige en geregelde verantwoordelijkheden van de samenleving waarin wij voor de wet gelijk zijn – concreet: onze rechten, plichten, normen, waarden, deugden en idealen –, vormen hun morele kracht. Dankzij deze primaire verantwoordelijkheid is er dus zoiets als moraal en ethiek.

 

Plezier is in het leven een authentiek levensgevoel. Het genietende subject vindt in het genieten zelf de zin van het bestaan. De menselijke opdracht is het genieten voor heel de schepping mogelijk te maken. Waar de fundamentalist de heilige geschriften ziet als onfeilbare bron en als onwrikbaar standpunt, ziet hij ze in zijn Talmoedlezingen integendeel als veelkleurig voedsel voor het denken. In zijn vele gesprekken met katholieke theologen benadrukt hij zijn seculier humanisme: mens in het centrum, niet God.

 

Toepassingen van Levinas’ filosofie zijn ondermeer te vinden in:

 

  • de hulpverlening: dit is voor hem geen ruileconomie, waarbij de hulpverlener later beloond wordt via de godsdienst, maar heeft een basis in de primaire verantwoordelijkheid voor de ander;
  • de zorg voor het milieu: de mens is verantwoordelijk voor het milieu en redeneert niet vanuit zijn dominantie over het milieu;
  • de ontmoeting tussen culturen: uit respect voor het gelaat van de ander overschrijdt de mens de grenzen van zijn eigen etnische identiteit. Hier ontstaat enige tegenspraak met het feit dat hij de monotheïstische godsdiensten verdedigt die hiervoor een obstakel kunnen vormen.

 

Het idee van het openstaan voor en de primaire verantwoordelijkheid voor de ander vertoont gelijkenis met de maçonnieke broederlijkheid, en van daar uit ook naar een ethische maatschappelijke verantwoordelijkheid.

 

 

 

Bibliografie:

 

 

 

 - ‘Levinas’, Joachim Duyndam en Marcel Poorthuys, Lemniscaat, 2003

 

 - ‘Levinas’, Renée van Riessen, in ‘Filosofen van deze tijd’, Maarten Doorman en Heleen Potter Bert Bakker (Prometheus), 2000

 

 - ‘Vrijmetselarij: een wijsgerige benadering’, Leo Apostel, ASP NV 2012

 

 - ‘De utopie van de vrije markt’, Hans Achterhuis