Gyges' ring

Door B.·. Joris S.

Aqua, autonome Loge aan de stroom

O.·. Antwerpen

Lithos CL

 

Plato brengt de mythe van de 'Ring van Gyges' op in zijn tweede boek over 'De Republiek'. In dit verhaal stelt hij zich de vraag of een individu de moraal nog zou respecteren mocht hij geen rekenschap moeten afleggen voor zijn (mis)daden. Plato laat aanvankelijk uitschijnen dat de moraal een sociale constructie is, die aanspoort tot het leiden van een deugdelijk, eervol en respectabel leven. Zonder sancties tegen overtreders van de moraalwet dreigt de moraal echter tot niets te leiden.

 

Het hoofdpersonnage in de mythe is Gyges een schaapherder die na een aardbeving plots de toegang van een grot ontwaart. Aangelokt door het onbekende betreedt Gyges de grot. Hij vindt daar een graf in de vorm van een bronzen paard waarin een man opgebaard ligt. De hand van de dode is getooid met een prachtige gouden ring. Gyges neemt het kleinood en stelt vast dat de ring magische eigenschappen bezit.

Zo hij het zegel van de ring naar de handpalm toe draait, wordt Gyges onzichtbaar. Met behulp van de ring slaagt Gyges er in het te brengen tot bode van koning Candaules. Eens doorgedrongen aan het koninklijke hof gebruikt hij zijn ring om de koningin te verleiden. Samen ruimen ze Candaules uit de weg en eigent Gyges zich de troon toe.

 

Om zijn argumentatie kracht bij te zetten laat Plato, via het personage Glauco, de vraag stellen wat er zou gebeuren mochten er twee dergelijke kleinoden bestaan. Eén ervan wordt geschonken aan een eerlijk en rechtschapen mens en de andere aan zijn oneerlijke tegenpool. Volgens Glauco kan niemand zich voorstellen dat de eerlijke op termijn niet zou zwichten om de wereld naar zijn hand te zetten, naar eigen goeddunken te verguizen en te vergoelijken, te stelen en zelfs te doden, binnen te dringen in huizen kortom te handelen zoals een Griekse god. Op die manier verzaakt de rechtschapene aan zijn moraal en begaat hij de grootste onrechtvaardigheden. Hij verlaagt zich tot het zelfde niveau als de onrechtschapene. Volgens Glauco is het zonneklaar dat iemand rechtschapen is, omdat hij denkt dat rechtvaardigheid en eerlijkheid hem baat bijbrengen. Zoniet kan hij beter onrechtvaardig en oneerlijk door het leven gaan. Wanneer gekonkel en misdaden meer profijt brengen dan rechtvaardig handelen is de keuze gauw gemaakt. Een rechtschapene is dus rechtschapen uit vrees voor gerechtigheid, terwijl de onrechtschapen handelt uit egoïsme en hypocrisie. ‘Niets menselijks is ons vreemd’, is in dat geval het gezegde bij uitstek om de eigen wandaden goed te praten.

 

Kun je je iemand voorstellen die de kracht van de ring van Gyges zou gebruiken en er nooit iets slechts mee zou aanvangen? Iemand die gewetensvol zou handelen en geen onrechtvaardigheden begaat, geen bedrog pleegt, nooit steelt of doodt. Hij die zijn moraal volgt en niet enkel uit is op eigen gewin zou dus, volgens onze voorgaande redenering, een volslagen idooit zijn. Maar mocht er zo iemand bestaan, dan zou iedereen hem juist prijzen voor zijn moraal, al was het uit vrees nooit zelf het slachtoffer te worden van onrechtvaardigheden...

 

Socrates verduidelijkt dat rechtvaardigheid niet enkel een sociale constructie is. Iemand die misbruik maakt van Gyges' ring raakt uiteindelijk moreel aan de grond en lijdt onder zijn karakterieel falen. Iemand die verkiest een rechtgeaard leven te leiden leeft in overeenstemming met zichzelf en hoeft zich niets te verwijten.

 

Moraal is het geheel van plichten die het individu als legitiem aanvaard. Het is de wet die het zichzelf oplegt, onafhankelijk van anderen, van een sanctie of een beloning. Je wordt er niet beter of gelukkiger van.

 

Moreel handelen is zich afvragen: ‘Wat moet ik doen?’, en niet ‘Wat moeten de anderen doen?’. Zedenpreken en moraliseren getuigen niet van moraal. Een uitspraak zoals: ‘Je moet vrijgevig zijn’, geeft geen blijk van vrijgevigheid evenals: ‘Je moet moedig zijn’, niet getuigt van moed. De moraal geldt enkel voor jezelf. Het is een vergissing te denken dat de moraal bestraft, bekritiseert of veroordeelt. Daarvoor bestaat een rechtssysteem met politie, rechtbanken en gevangenissen. Daar gelden wetten en geen moraal. Rechtsregels moeten minimale voorwaarden creëren om mensen zichzelf te laten zijn. Het zou ook zelfzuchtig zijn om een morele wet te volgen louter omwille van een religieuze reden zoals een beloofde hiernamaals. Maar ook in de maçonnerie kan de ethiek niet ondergeschikt zijn aan de broederlijkheid. De broederlijkheid is trouwens niet eigen aan de vrijmetselarij alleen; de broederlijkheid laten primeren op de maçonnieke ethiek leidt tot moreel verval.

 

Socrates mocht dan wel in de gevangenis sterven, hij was vrijer dan zijn rechters. Moraal staat dus los van veroordelen en straffen en kent geen efficiënte repressie. Dit houdt ook in dat er tussen recht en ethiek spanningsvelden kunnen bestaan. Wat de maatschappij verwacht is niet noodzakelijk wat ik aanvoel.

 

De moraal is onze vrijheid te oordelen over wat we onszelf al dan niet opleggen. We kiezen er dus als individu zelf voor om niet te liegen, te stelen, te doden, te bedriegen in het besef dat een maatschappij waar leugens, diefstal, moord en bedrog aan de orde zijn onleefbaar is.

 

Maar, denk even na over wat u zou doen mocht u over Gyges’ ring beschikken; want op U komt het aan!

 

 

 

Bibliografie:

 

 

 

 - ‘De Republiek’, Plato

 

 - ‘Présentation de la philosophie’, André Comte-Sponville (ISBN 978-2-253-15332-0)

 

 - ‘Dansen op een te slappe koord? Over ethiek, recht en deotologie’, Christiaan Van Kerckhove,  Antenne nr3 2010, ISSN 0772-6627