De vrijheid van meningsuiting in een vrije staat

door B.·. Joris S.

Aqua, autonome Loge aan de stroom

O.·. Antwerpen Lithos CL

 

Benedictus (Baruch) de Spinoza (1632-1677) was een eminente filosoof uit de Nederlanden. Hij was een jood van Portugese afkomst. Zijn voorouders leefden in het Spaans-Portugese grensgebied, waar ze handel dreven op een knooppunt van drie culturen, beschermd door tolerante mohamedaanse vorsten. De verovering van het koninkrijk Granada op de moren door Ferdinand en Isabella van Aragon en het invoeren van de inquisitie plaatste de joden voor de keuze: zich bekeren of uitwijken. De bekeerde joden werden bestempeld als marranos, wat Spaans is voor varkens, en leden een miserabel bestaan. In 1593 vluchtte een kleine groep marranos naar de Nederlanden, aangetrokken door de Akte van Verdraagzaamheid, die in 1579 was afgesloten door de Unie van Utrecht. Spinoza's vader hoopte dat zijn zoon rabbijn ging worden en voorzag in de nodige opleiding hiervoor. Op die wijze kwam Baruch in contact met zowel: wereldlijke, wetenschappelijke, christelijke als joods-orthodoxe denkwijzen, die zijn verdere leven hebben beïnvloed. De contacten met vooraanstaande geleerden en wetenschappers uit zijn tijd bezorgden hem een geestelijke onafhankelijkheid, die maakte dat hij niet langer om kon met de beperkende bijbelinterpretaties van de rabijnen. Hij scheurde zich uiteindelijk af van de Joodse gemeenschap en noemde zich voortaan Benedictus.

Zijn tijdgenoten bestempelden hem als atheïst, een kwalificatie die hij hevig weerlegde. Spinoza definieerde godsdienst als het volgen van de wetten van de natuur. Menselijke vrijheid is mogelijk door te leven naar het voorschrift van de rede, niet door het ontkennen en verwerpen van de passies als irrationeel, maar door het onderkennen van hun noodzakelijke karakter, voortvloeiend uit ordening van de natuur. In tegenstelling tot wat toen verwacht werd van een atheïst, was zijn levenshouding allerminst losbandig. Hij was een bescheiden, rustig en deugdzaam persoon. Hij hield vol dat de wet te alle tijde moest nageleefd worden maar dat de gedachte en de rede vrij moest zijn. Vrijheid van meningsuiting is voor Spinoza een voorwaarde voor een vreedzame en deugdzame samenleving. Hij poogde via bijbelonderzoek komaf te maken met de zienswijze van theologen die de rede verloochenden steunend op het woord van God. Volgens hem dient ook het lezen van de Bijbel onderworpen te worden aan de wetenschappelijke methoden zoals die sinds de renaissance voor het lezen en interpreteren van klassieke teksten waren ontwikkeld. Spinoza wordt beschouwd als de grondlegger van het huidige wetenschappelijk bijbelonderzoek. Hij voerde aan dat de bijbel geen wijsgerig of wetenschappelijk werk was maar veeleer een verzameling van historische teksten aangepast aan het bevattingsvermogen van de grote massa. De bijbel roept volgens Spinoza vooral op tot naastenliefde en tot de liefde tot God. Zijn conceptie van 'God' is bovendien enkel door de rede bepaald. Ondanks de relatief grote vrijheid in het toenmalige Nederland had de tolerantie grenzen. Vandaar dat belangrijke delen van zijn werk postuum verschenen.

 

Spinoza's werk is van doorslaggevende betekenis voor het Westerse denken. Hij is net zoals zijn tijdgenoot Hobbes de pleitbezorger van de scheiding van kerk en Staat. Zijn benadering van de vrijheid van meningsuiting werkte zo inspirerend dat ze later, tijdens de Verlichting, verwerkt werd in de verklaring van de rechten van de mens (1793). In zijn 'Theologisch- politieke verhandeling' houdt hij het volgende pleidooi voor de vrijheid van meningsuiting en voor de vrijheid van denken:

 

"Als over geesten even gemakkelijk kon worden geheerst als over tongen, zou iedere regeerder zich veilig weten en zou geen regering geweld hoeven te gebruiken. Alle individuen zouden immers leven overeenkomstig de wens van de regeerders en hun oordeel over de waarheid en goed en kwaad louter afhankelijk maken van hun bevel."

 

Volgens Spinoza is het onaanvaardbaar dat iemands denken door een ander wordt beheerst.

 

"Niemand kan immers zijn natuurlijk recht of vermogen om in vrijheid te redeneren en te oordelen op een ander overdragen of daartoe worden gedwongen. Een regering die de geesten poogt te beheersen is daarom gewelddadig. De hoogste macht doet de onderdanen onrecht aan wanneer hij zich het recht aanmatigt hun voor te schrijven wat waar en onwaar is en welke opvattingen hen met eerbied voor God moeten vervullen. Dit zijn rechten die niemand - ook al zou hij het willen- kan afstaan."

 

Spinoza onderzoekt wat de grenzen van de vrijheid zijn die elk individu moet kunnen bezitten. Zo ziet hij het doel van de Staat als het onderdrukken van angsten en ervoor te zorgen dat mensen als redelijke wezens kunnen samenleven en ongehinderd hun lichamelijke en geestelijke vermogens mogen ontwikkelen. Het doel van de Staat is dus in werkelijkheid de vrijheid. Het leven in vrijheid is slechts mogelijk als elk individu het recht opgeeft om naar eigen goeddunken te leven.

 

"Het was dus alleen het recht om overeenkomstig het eigen oordeel te handelen dat alle burgers hebben overgedragen, maar niet het recht om te redeneren en te oordelen. Zonder het recht van de hoogste autoriteiten aan te tasten kan dus niemand in strijd met hun verordeningen handelen, maar wel denken, oordelen en bijgevolg ook spreken."

 

Spinoza stelt dat het zeer schadelijk is om priesters en theologen het recht te geven wetten uit te vaardigen of zich met staatsaangelegenheden te bemoeien. Hij neemt als voorbeeld de farizeeën die rechtschapen mannen vervolgden in naam van het goddelijke recht.

 

"De beste methode voor de Staat om deze rampen te vermijden is te stellen dat vroomheid en de goddelijke eredienst alleen in werken bestaan, dat wil zeggen in liefdevol en rechtvaardig handelen en voor het overige dat ieder zijn mening vrij moet worden gelaten."

 

Hij besluit zijn verhandeling als volgt:

 

"Ik trek daarom de conclusie dat de veiligheid van de Staat het beste gewaarborgd is als vroomheid en godsdienst alleen bestaan in liefde en in rechtvaardig handelen en wanneer de bevoegdheid van de hoogste autoriteiten zowel wat kerkelijke als wereldlijke zaken betreft slechts betrekking heeft op handelingen en dat voor het overige iedereen vrij is te denken wat hij wil en te zeggen wat hij denkt... ...Ik weet dat ik een mens ben en mij kan vergissen. Ik heb daarom mijn uiterste best gedaan geen fouten te maken en vooral mijn geschrift volledig in overeenstemming te doen zijn met de wetten van mijn land, de vroomheid en de goede zeden."

 

Spinoza verdedigt de democratie als de enige staatsvorm waarin de verschillende krachten binnen de samenleving in evenwicht zijn. Volgens hem is in een stabiel staatsbestel de vrijheid van denken en van meningsuiting noodzakelijk. Vermits de macht van de staat beperkt is, en meningen nooit kunnen worden afgedwongen, zal elke poging tot onderdrukking ervan contraproductief zijn. De koppeling van ongebreidelde moed aan een sublieme denkkracht maakte Spinoza tot de wegbereider van de Verlichting. Spinoza wordt aldus algemeen aanvaard als de eerste Verlichte geest.

 

 

Bibliografie:

 

De draagbare Spinoza, Henri Krop en Wiep van Bunge

 

Tractatus theologico-politicus, Benidictus de Spinoza

 

Benedictus de Spinoza, een overzicht , Piet Steenbakkers

 

Radical Enlightenment, Jonathan Israël

 

Spinoza gisteren, vandaag en morgen, Prof.dr. Ronald Commers

 

Grenzen aan de vrije meningsuiting, Etienne Vermeersch