De vijanden van de open samenleving ontmaskerd

Hij verving het verificatie-criterium dat zij gebruikten om betekenis te bepalen, door het falsificatie-criterium ter afbakening van de empirische wetenschappen. Hij stelt dat vele waarnemingen en ervaringen nooit een theorie kunnen verifiëren, terwijl slechts één observatie haar kan falsifiëren.

 

(Stelling: ’Alle zwanen zijn wit‘, Potentiële falsificator: ’Er is één zwarte zwaan’. Wanneer de falsificator wordt bevestigd, m.a.w. er bestaat één zwarte zwaan, is de universele uitspraak over witte zwanen weerlegd. Als dat niet lukt, is de theorie bevestigd, maar niet geverifieerd.)

 

Een riskante voorspelling, een gissing, is gemakkelijk te falsifiëren: zij doet veel controleerbare voorspellingen. Zo‘n riskante veronderstelling had Einstein in die jaren net gedaan, toen hij had voorspeld dat licht aangetrokken wordt door zware lichamen zoals de zon. Dit levert een opmerkelijk resultaat op: een echt wetenschappelijke theorie kan worden gefalsifieerd, dus een theorie waarbij dat niet kan, is niet wetenschappelijk. Wie alleen naar een bevestiging van zijn theorie zoekt, zal die altijd vinden. Popper toont met deze test aan dat denksystemen als astrologie, psychoanalyse en marxisme pseudo-wetenschappelijk zijn.

 

 

 

Meer in het algemeen pleitte hij voor een anti-autoritaire benadering van de menselijke kennis, waarbij de nadruk komt te liggen op kritiek in plaats van op verdediging: er is dus geen stelling die hoeft verdedigd worden, in tegendeel gepoogd wordt om de stelling onderuit te halen.

 

De toepassing van die denkbeelden uit de kennistheorie op het politieke denken leidde tot zijn meest bekende boek: De open samenleving en haar vijanden. Het boek werd voltooid terwijl hij als hoofddocent werkte aan het Canterbury University College in Christchurch, Nieuw-Zeeland, waar hij in 1937 een baan had aanvaard om te ontsnappen aan het nationaalsocialisme.

 

 

 

Popper noemt dit werk later zijn ‘oorlogswerk’. Het werd in 1945 uitgegeven, juist toen de marxistische regimes in Oost-Europa aan de macht kwamen. De auteur werd een soort held voor dissidenten in communistische landen. Het werd in 1992 in Russische vertaling een bestseller en hoewel het in wezen een sociaal-democratische inslag heeft, in Groot-Brittannië en de rest van Europa vaak met instemming geciteerd door conservatieven. Popper zelf heeft altijd geweigerd zich met een politieke partij te identificeren.

 

In zijn latere werk keerde Popper terug naar de problemen van de kerntheorie, de wetenschapsfilosofie en talrijke andere thema‘s. Tot zijn dood bleef hij zich bezighouden met de Griekse filosofen vanaf presocratici.

 

Popper definieert het beschavingsproces als de evolutie van een gesloten, tribale samenleving, door een geloof in magische krachten naar een open (democratische) samenleving waar de kritische vermogens van gelijkwaardige individuen vrij spel hebben. In: “De open samenleving en haar vijanden”, ontmaskert hij het verleidelijk verpakte, maar reactionaire ideale maatschappijbeeld van Plato, waarvan de invloed via andere denkers (vanaf Aristoteles) doorheen de geschiedenis de democratie en de open maatschappij bedreigt en het ontstaan van totalitaire regimes in de hand werkt. Plato's ideale staatsbestel is een gesloten tribale kastenmaatschappij met wijze heerser(s), soldaten en slaven. De theorie is verleidelijk en spoort aan om stappen terug te zetten in het beschavingsproces. Enkele opvallende citaten uit het begin van het boek 'Pericles, over de Atheense democratie' geven de teneur aan:

 

‘Slechts weinigen kunnen politiek bedrijven, maar allen kunnen die politiek beoordelen.

 

En m.b.t. Plato:

 

‘De belangrijkste raadgeving is dat nooit iemand, man of vrouw, zonder aanvoerder mag zijn. Zowel in oorlog als in vrede zal iedereen steeds leven met de ogen gericht op de aanvoerder, trouw zijn leiding volgen en zichzelf tot in de meest onbetekenende details aan zijn gezag onderwerpen’,

 

En verder is het voor hem ook duidelijk wie moet leiden, want

 

‘de onwetende volgt, terwijl de verstandige voorgaat en leidt’.

 

De verstandige, de wijze ontpopt zich uiteindelijk als de filosoof zelf, maar anderen stellen minder hoge eisen aan de leider: daarom valt hij de ’orakelfilosofie’ van Hegel aan, de dogmatiek van de romantici, en waarin de ideale staat die is van zijn heerser-broodheer, die je alleen kan aanvaarden of verwerpen.

 

Hij valt het historicisme aan, dat ervan uitgaat dat er historische wetten zouden zijn die toelaten de loop van de geschiedenis te voorspellen (zoals ook het historisch materialisme van Hegel veronderstelt) maar vooral, wetten die recepten zouden omvatten om naar een ideale maatschappij te evolueren.

 

Een zinnige voorspelling is immers, volgens hem, niet mogelijk wanneer mensen een rol spelen, omdat hun beslissingen cruciaal zijn, waardoor oorzaken en redenen verstrengeld raken. Historicistische theorieën leiden tot het ontstaan van autoritaire, gesloten samenlevingen, waarvan de instituties volgens d ergelijke theorieën worden opgezet en afgeschermd van verandering. Het begon, volgens Popper, met Heraclitus’ ‘Panta rhei’, die de veranderende aard van de wereld zag, en bij wie de vrees voor verandering in evenwicht werd gehouden door de logos, die tegenstellingen verzoent of een nieuwe orde creëert.

 

Plato introduceerde de wet van verval, waarbij heel duidelijk een hiërarchie van maatschappijvormen wordt beschreven met aan de top de gesloten tribale kastenmaatschappij met wijze heerser(s), soldaten en slaven-werkers en op de één na laagste plaats de democratie, net voor de tirannie (geïnspireerd op de Spartaanse maatschappij die hij superieur achtte aan de Atheense democratie, wat te maken had met zijn positie in dit conflict). Het verval was een verwijdering van de Idee (in dit geval dus van de gesloten tribale kastenmaatschappij) die Plato propageerde. Aan die heersers bleken later door Hegel, vader van de dialectiek (waarin de tegenstellingen elkaar opheffen in een hogere eenheid) heel wat minder hoge eisen gesteld. Als officieel Pruisisch staatsfilosoof verkondigde hij de filosofie van de praktische rede: vermits de rede de wereld beheerst, is het er dus in de wereldgeschiedenis redelijk aan toe gegaan. De wereldgeest bedient zich van de handelingen van ‘wereldhistorische persoonlijkheden’ om doeleinden te verwezenlijken. Dit zijn de meest indrukwekkende. Zij weten het best wat er te doen staat, en wat ze doen is het juiste. De anderen moeten hen gehoorzamen omdat ze dat voelen. Hun spreken, hun handelingen zijn het beste wat gezegd en gedaan kan worden. Van daaruit buigt hij een breedsprakige redenering, zoals bijvoorbeeld de gelijkheidsfilosofie, om tot het tegendeel, Popper zegt hierover:

 

 

 

‘Dat de burgers voor de wet gelijk zijn, bevat een diepe waarheid, maar is een tautologie, wanneer men dit zo uitdrukt. Met deze uitspraak wordt alleen maar uitgedrukt dat in een wettelijke toestand de wetten. Concreet beschouwd zijn burgers, behalve in hun juridische hoedanigheid als personen, voor de wet alleen gelijk wanneer ze daarbuiten ook nog eens gelijk zijn. Alleen wanneer (...)gelijkheid van vermogen, leeftijd(...) aan de orde is, kan en behoort een gelijk geval gelijk behandeld te worden(...)

 

De wetten zelf (...) veronderstellen nu juist ongelijke gevallen (...) Daarentegen moet gezegd worden dat vooral de enorme ontwikkeling van de moderne staten de grootst mogelijke ongelijkheid tussen individuen in werkelijkheid teweegbrengt.’

 

Popper verdedigt daartegenover een open samenleving van gelijkwaardige individuen en een democratisch systeem waarbij een systeem van checks and balances ongewenste machtsaccumulatie moet voorkomen. Burgers kunnen constituties wijzigen, er is ruimte om vrij te denken, voor kritiek, en voor het politiek experiment. Hij stelt de ‘stapsgewijze sociale technologie’ (piecemeal social engineering) tegenover de utopische sociale technologie als middel om de maatschappij vooruit te brengen op de weg naar meer beschaving. Daarom valt hij ook Marx aan. Hij beschouwt elke rationele sociale planning als onrealistisch.

 

‘Het is niet redelijk aan te nemen dat de volledige reorganisatie van de sociale wereld in één klap tot een werkbaar systeem zou kunnen leiden.’

 

Die aanpak (de stapsgewijze sociale technologie) lijkt me methodologisch gezond. De politicus die deze methode toepast, heeft al dan niet een blauwdruk van de samenleving in gedachten, hij koestert al dan niet de hoop dat de mensheid ooit een ideale staat tot stand zal brengen en geluk en perfectie op aarde zal verwezenlijken, maar hij zal er zich van bewust zijn dat perfectie - als die al haalbaar is – heel ver weg is, en dat elke generatie, en dus ook de nu levende, een rechtmatige aanspraak heeft, misschien niet zozeer de aanspraak op geluk, want er zijn nu eenmaal geen constitutionele middelen om de mens gelukkig te maken, maar wel de aanspraak om niet ongelukkig te worden gemaakt wanneer dat kan worden vermeden. Zij mogen er aanspraak op maken dat ze alle mogelijke hulp krijgen wanneer ze lijden. De voorstander van de stapsgewijze technologie zal dan ook de methode kiezen warmee hij de grootste en dringendste kwalen van de samenleving kan opsporen en bestrijden, en niet zozeer het hoogste goed trachten te bereiken en daarvoor vechten.

 

Popper legt in uitvoerige noten aan ‘De open samenleving en haar vijanden’, het verband tussen zijn wetenschapsfilosofie en zijn ‘piecemeal social engineering’ uit:

 

‘Er is een zekere analogie tussen dit ethische standpunt en mijn ideeën over de wetenschappelijke methodologie die ik bepleit in 'The Logic of Scientific Discovery'. Het komt de duidelijkheid op ethisch gebied ten goede als wij onze eisen negatief formuleren, d.w.z. als we pleiten voor het stopzetten van lijden in plaats van het bevorderen van geluk. Zo is het ook zinvol om de taak van de wetenschappelijke methode te formuleren als het elimineren van valse theorieën uit de talloze theorieën die tastenderwijs worden gesuggereerd, en niet als het streven naar vaststaande waarheden.’

 

 

 

Popper staat niet alleen met zijn kritiek op de onderliggende gedachte die via ondermeer Plato tot ons komt en ervan uitgaat dat bepaalde overtuigingen of dogma‘s automatisch leiden tot goed gedrag. Ook Bertrand Russell gaat hier op in in zijn ‘Geschiedenis van de westerse filosofie.’ Hij vergelijkt ondermeer de theorieën van het fascisme met het door Plato verheerlijkte beeld van de Spartaanse maatschappij.

 

Karl Popper toont aan dat beschaving alleen kan vooruitgaan in een samenleving waar iedereen open, los van alle dogma‘s en het fanatisme dat daaruit kan voortkomen, stapsgewijs kan bijdragen aan een betere en rechtvaardiger wereld. Hij wijst op het gevaar van machthebbers die via theorieën over een mythische ideale maatschappij de massa manipuleren. Net als in de wetenschap moeten theoretische beelden van een ideale maatschappij continu kritisch ‘gefalsifieerd’ kunnen worden, dat betekent dat voldoende checks en balances machtsconcentratie moeten voorkomen. De open maatschappij strookt met het ideaal van de vrijmetselarij, die ook door haar vijanden nog steeds belaagd wordt. Hoewel Poppers boek vooral als reactie kan gezien worden op het nazisme, het fascisme en het stalinisme, blijft zijn analyse actueel nu opnieuw ideaalbeelden van een gesloten samenleving gebaseerd op godsdienst of nationalisme aan populariteit winnen.

 

 

 

Bibliografie:

 

 

 

- Karl Popper, “De open samenleving en haar vijanden”, 2007 Lemniscaat, 1945 Routledge and Kegan Paul Ltd

 

- Peter J. King, “100 Filosofen: inleiding tot het gedachtegoed van de grootste denkers ter wereld”, 2007 Librero bv , 2004 Quarto

  Publishing London

 

- Peter Kunzmann, Franz-Peter Burkard, Franz Wiedmann, “Sesam Atlas van de filosofie”, 1996 Sesam Amsterdam; 1991

  Deutscher Taschenbuch Verlag München

 

- Maarten Doorman en Heleen Pott, ”Filosofen van deze tijd“, 2000 Uitgeverij Bert Bakker Amsterdam

 

- Stanford Encyclopedia of Philosophy, Karl Popper

 

door B.·. Frank D.

Aqua, autonome Loge aan de stroom

O.·. Antwerpen Lithos CL

 

De jeugd van wetenschapfilosoof Karl Raimund Popper (1902-1994) speelde zich af tegen het decor van grote onrust in het naoorlogse Wenen, wat zijn later politieke visie diepgaand beïnvloedde. Hij studeerde compositie aan het conservatorium, en verder wiskunde, natuurkunde en psychologie, en in zijn vrije tijd filosofie. In 1928 behaalde hij daarin zijn doctoraat. Hij werd beïnvloed door de Wiener Kreis en in 1935 publiceerden ze zijn eerste boek, Logik der Forschung (de logica van de wetenschappelijke ontdekking). Het boek illustreert dat, hoewel hij hun enthousiasme voor wetenschap en logica deelde, hij hun standpunten meestal vurig bestreed.